Blog

09 april 2019

Passie voor de passie ~ Mirjam Roukema

Steeds weer als de eerste keer

Hoeveel jaar ken ik de Matthäus Passion nu eigenlijk? Mijn eerste bewuste herinneringen gaan terug naar de jaren dat ik als pubermeisje de soprano in ripieno mocht zingen. Zeven regels in het openingskoor, dan ruim een uur muisstil zitten wachten op ‘O Mensch, bewein’ dein Sünde gross’. Als meisjeskoor moesten we vaak op de galerij zitten. Vanuit die hoge plek nam ik, verscholen achter de schotten, elke noot van de Matthäus – ik mag al Matthäus zeggen – tot me.

Na een paar uitvoeringen kon ik goed van matig onderscheiden. Zo was ik stomverbaasd als de sopraan vergat in te zetten bij ‘Wiewohl mein Herz in Tränen schwimmt’ (een fout in de Matthäus, hoe bestáát het! De dirigent begon onverstoorbaar vanaf het begin), leerde ik dat de joden ofwel ultrakort ‘Barrabam’ geroepen hadden of juist zo lang en breed mogelijk, en lachte ik besmuikt als de continuospeler na ‘Und alsbald krähete der Hahn’ levensecht een haan imiteerde op het kistorgel.

De liefde voor Bachs bekendste werk werd me lang voor deze avonturen al met de paplepel ingegoten. Luisteren naar cd’s met muziek van Bach was een vast ingrediënt van de zondag in huize Roukema. In de passietijd kwam de Matthäus ongetwijfeld ook luid en duidelijk uit de geluidsboxen.

Stiekem kan ik dat oeroude meesterwerk soms niet uitstaan. Wat is dat voor een stuk, dat eindigt met de graflegging van Christus? Maar daar heeft Bach, slimmerik als hij was, iets op bedacht, ontdekte ik onlangs. De passie eindigt namelijk met een groot septiem als voorhouding voor het akkoord oplost – de befaamde dissonant in ‘Sanfte Ruh’. Een symbool voor de opstanding van Christus. Bach zou Bach niet zijn zonder licht aan het einde van de tunnel.

Wordt het de vijftiende keer dit jaar? De zeventiende? De twintigste? Het maakt niet uit. Elke Matthäus voelt weer als de eerste.